Met een ‘masterplan fiets’, dat 100 miljoen euro aan extra investeringen omvat, hoopt de Vlaamse regering het fietsgebruik fors op te vijzelen. Hoe haalbaar is 30 procent fietsverplaatsingen in 2040? Recent onderzoek van Fietsberaad drukt de gemeenten met de neus op de feiten.
Nederland inhalen als de fietsregio bij uitstek in Europa. Dat is de ambitie van de Vlaamse overheid, die daarvoor stevig de portefeuille opentrekt. Bovenop de 300 miljoen euro die jaarlijks naar fietsinfrastructuur vloeit, pompt Vlaanderen nog eens 100 miljoen extra in de aanleg van nieuwe fiets- en jaagpaden.
Maar hoe staan de gemeenten ervoor? Ze spelen een niet te onderschatten rol bij de push om de Vlaming massaal op de fiets te krijgen. En dus kijkt de Vlaamse overheid ook naar de burgemeesters en schepenen om het doel van 30 procent fietsverplaatsingen tegen 2040 te halen.
De fiets is momenteel goed voor 18,5 procent van de verplaatsingen. Op weekdagen stijgt dat aandeel naar 20 procent. Al zijn de verschillen groot. Dat leert nieuw onderzoek van Fietsberaad, het kenniscentrum voor het fietsbeleid in Vlaanderen. Als enige gemeente haalt Mortsel (31,3 procent fietsverplaatsingen) de lat voor 2040 nu al, terwijl Geetbets (7,2 procent), Landen (8,4 procent) en Heers (8,4 procent) fors achterop hinken.
Klinkt als goed nieuws voor Mortsel, maar de kous is daarmee niet af. De onderzoekers kennen elke bestuur een gerichte opdracht toe, gekoppeld aan het type gemeente. Niet elke gemeente moet het fietsaandeel naar 30 procent brengen. Voor sommige burgemeesters ligt het doel zelfs voorbij die kaap, anderen krijgen wat respijt. “Het uitgangspunt is dat het fietsaandeel overal toeneemt, met de grootste groei voor steden en gemeenten die vandaag het laagst scoren”, zegt Wout Baert van Fietsberaad.
Zo moet Hove in de provincie Antwerpen het aantal fietsverplaatsingen opkrikken van 29,8 naar 37,3 procent. Dat is een toename met 7,5 procentpunt, terwijl Geetbets – een andere ‘woongemeente’ – stevig wat werk aan de winkel heeft. De Vlaams-Brabantse gemeente moet van 7,2 naar 20 procent, ofwel een stijging met 12,8 procentpunt. In absolute aantallen gaat het bijna om een verdrievoudiging van het aantal fietsbewegingen: van 1.150 naar 3.290.
Circulatieplan
Bij de centrumsteden valt het contrast tussen Genk en Leuven dan weer op. In de Limburgse stad willen de onderzoekers het aantal fietsverplaatsingen van 14,1 naar 25,9 procent zien stijgen. In verhouding komt Leuven er een stuk gemakkelijker vanaf: van 29 naar 37,8 procent. Maar de studentenstad bande koning auto in 2016 al, met de invoering van een circulatieplan.
“Er ontstond een grotere autovrije zone, met minder plaats voor bovengronds parkeren en meer ruimte voor voetgangers en fietsers”, zegt Pieter Vansteenwegen, directeur van het Instituut voor Mobiliteit van de KU Leuven. Hij stipt de cijfers aan: tussen 2016 en 2019 steeg het aantal fietsers in de binnenstad met 44 procent, terwijl het aantal auto’s met 19 procent daalde.
Centrale les volgens Vansteenwegen: alle overheden, van Vlaams tot de gemeente, moeten keuzes durven maken. “Gratis of goedkoop parkeren in stadscentra helpt niet om een shift naar de fiets te realiseren”, zegt hij. “Ook het royaal promoten van salariswagens helpt uiteraard niet. Wat zeker wel helpt, is de weginfrastructuur veiliger maken voor fietsers.”
Behalve investeringen in fietspaden en -straten adviseert Fietsberaad ook andere maatregelen, zoals het verlagen van de toegelaten snelheid op wegen zonder aparte fietspaden. Maar ook: het conflictvrij regelen van verkeerslichten en het verminderen van wachttijden aan die lichten.
Rest de vraag: Nederland inhalen als fietsregio, is dat überhaupt haalbaar? “Volgens mij wel”, zegt Baert. “Wij zetten meer in op veilig fietsen in gemengd verkeer, zoals fietsstraten. Zo kunnen we grotere fietsstromen gemakkelijker de baas. Bovendien kent Vlaanderen een dichter spoornet, dat in combinatie met de fiets écht een alternatief kan zijn voor autoverplaatsingen. Dat zijn zaken die in ons voordeel spelen.”


