Sibo Kanobana: ‘Inclusie is iets moeilijk. Je neemt het er niet snel even bij’

Sibo Kanobana (UGent) onderzoekt hoe taal en etniciteit de positie van mensen op de arbeidsmarkt bepalen. Op 15 september nodigen SAM vzw en Sociaal.Net hem uit voor een webinar over witte dominantie in het sociaal werk. “Als je echt aan de blinde vlekken van je organisatie wil werken, moet je moeilijke gesprekken voeren.”

Gesegregeerde arbeidsmarkt

Sibo Kanobana is docent sociolinguïstiek en postkoloniale studies aan de UGent. Hij doet onderzoek naar de invloed van taal en etniciteit op iemands tewerkstellingskansen.

“We hebben in Vlaanderen een zeer gesegregeerde arbeidsmarkt. Bepaalde laag gewaardeerde sectoren trekken opvallend veel mensen aan die hun roots hebben in de koloniën. Andere hooggewaardeerde sectoren blijven opvallend wit. Als er toch enige kleur te ontwaren is, dan is dat onderaan de organisatie.”

“We proberen dat te rationaliseren, bijvoorbeeld door te beweren dat werknemers geen Nederlands spreken, maar dat blijkt in de praktijk niet te kloppen. Bovendien zien we dit patroon overal: van Nieuw-Zeeland tot de Verenigde Staten. Ik vraag me af hoe dat komt? Wat is de rol van etniciteit, van witheid, van de symboliek die we aan taal toekennen? En vooral: wat moeten we doen om die patronen te doorbreken?”

Het is nog maar recent dat jij hierover niet alleen academisch onderzoek doet, maar ook het publieke debat betreedt. Waarom heb je die stap gezet?

“Als zoon van een zwarte vader en een witte moeder ben ik tegen wil en dank altijd al met racisme en discriminatie bezig geweest. Ik heb een aantal vrienden met wie ik hierover kan praten, maar ik voelde mij niet geroepen om me hierover publiek uit te spreken. Vandaag is de maatschappelijke context zo veranderd dat ik me dat niet meer kan permitteren, ook tegenover mijn kind dat in deze wereld verder moet.”

Wat is er dan veranderd?

“Ik heb het gevoel dat we er als samenleving op achteruit gaan. Er vloeit massaal veel inkt over zogenaamde woke-activisten en cancelcultuur, maar de alomtegenwoordigheid van bruut racisme, bijvoorbeeld in de commentaren onder ongeveer elk opiniestuk, vinden we normaal. Daar is weinig verontwaardiging over. Mij baart dat echt zorgen.”

Tegelijk maken sommige mensen zich ook oprecht zorgen over die cancelcultuur.

“Is dat zo? Misschien moeten we ons afvragen wie zich daar zorgen over maakt. Ik denk vooral mensen met macht, met name de symbolische, witte, hooggeschoolde man van middelbare leeftijd.”

“Als die vroeger een opinie ventileerde, kreeg hij hooguit wat tegenwind van andere witte mannen. Nu krijgt hij kritiek die aan de kern van zijn identiteit raakt. Hierdoor moet hij zich vragen stellen over wat zijn witheid of zijn mannelijkheid voor anderen betekent. Voor hem is dat nieuw. Uiteraard zorgt dat voor onrust, maar dat is niet erg. Op middellange termijn betekent dat maatschappelijke winst voor ons allemaal.”

“Ik had laatst een gesprek met een goede vriend. Hij is een witte man. We hadden het over hoe je je als man best gedeisd houdt als je ’s nachts op straat een vrouw tegenkomt. Hij vertelde me dat hij zich er pas sinds MeToo van bewust was dat je als man bedreigend kunt overkomen. Ik vind dat besef winst.”

Maar voor jou is dat niet nieuw?

“Nee, voor mij als zwarte man is dat een no-brainer. Al sinds mijn puberjaren ben ik me heel sterk bewust van hoe ik me in de maatschappij beweeg. Dat moet ook. Ik word bekeken met de dominante witte blik.”

“Of ik het nu ben of niet, mijn kleur wekt negatieve associaties op zoals agressief, homofoob of vrouwonvriendelijk. Ik counter die witte blik door de perfecte Belg te zijn: me eloquent voordoen, mooi Nederlands praten… Anderen worden boos en zeggen: ‘Fuck dit! Als ik toch altijd verdacht ben, kan ik evengoed schuldig zijn’.”

Je ziet huidskleur dus als een soort symbool?

“Politicoloog Olivia Rutazibwa ziet witheid als een normatief ideaalbeeld. Ze heeft het over ‘imagined white lives’: wat we ons als ideale mens inbeelden. In feite gaat het over een witte middenklasse man van 45 jaar in goede gezondheid. In die zin is witheid een droombeeld waar slechts heel weinig mensen aan kunnen voldoen. Dat maakt dat ook het gros van de witte mensen eronder lijdt.”

Is het niet normaal dat we mensen in groepen en categorieën opdelen? Dat is toch hoe mensen met de complexe realiteit omgaan?

“Misschien wel, maar het wordt problematisch als hier op structurele manier ongelijkheid uit voortvloeit. Je ziet dat heel sterk in de manier waarop we met de Oekraïnecrisis omgaan.”

“Voor alle duidelijkheid. Ik juich toe dat we solidair zijn met de Oekraïners en dat de Europese Unie haar grenzen openstelt. Niemand migreert voor zijn plezier. Maar het verschil met hoe we met Syrische vluchtelingen omgingen, is wel stuitend. We sloten onze grenzen hermetisch af, wat hun tocht levensgevaarlijk maakte. Dat getuigt van een dubbele moraal.”

En de reden is de andere huidskleur?

“Niet zozeer de kleur, maar de associaties die we eraan vastknopen. Over de Oekraïense vluchtelingen werd gezegd: het zijn mensen zoals wij, christelijk, middenklassers, mensen met skills, die een meerwaarde betekenen voor Europa en zeker geen bedreiging vormen voor de sociale orde.”

Je hebt dus de goede en de problematische vluchtelingen?

“Inderdaad en die beeldvorming veroorzaakt enorme problemen. Neem de Congolese gemeenschap. Je kan niet zeggen dat ons land daar geen band mee heeft. We delen meer dan een eeuw geschiedenis, ze spreken een Belgische taal, zijn christelijk en trouwen vaker met Belgen dan andere migratiegroepen. Toch zijn ze socio-economisch een zeer gemarginaliseerde groep, nog meer dan moslims. Hoe komt dat?”

Beantwoord je vraag zelf eens.

“Wijlen hoogleraar Jan Blommaert noemde het ideologisch racisme. Niet racisme als haat, maar racisme als ideologie, die ervoor zorgt dat je bepaalde mensen als bedreigend ervaart. Eigenlijk lijken ze erg op jou, maar je hebt geleerd om ze als ‘anders’ te zien.”

Maar je kan die verschillen toch niet enkel op huidskleur steken?

“Dat doe ik ook niet. Huidskleur is een belangrijk symbool, maar het is niet allesbepalend. Je huidskleur is zeker niet voldoende om als wit erkend te zijn. Als je tijdens de Tweede Wereldoorlog een jood met blauwe ogen en blonde haren was, ging dat je niet redden.”

“In de Verenigde Staten had je de ‘one-drop rule’: had je één druppel zwart bloed, dan werd je als zwart gecatalogeerd. Zwarte mensen die er quasi wit uitzagen, werden op die manier toch gediscrimineerd. Als het puur over uiterlijke kenmerken gaat, gebruik ik graag het woord blank. Voor mij is een Tsjetsjeen blank, maar ik weet niet of hij wit is.”

Omdat achter beide woorden een verschillende sociologische verbeelding schuilgaat?

“Inderdaad, een Tsjetsjeen is vaak moslim en daardoor niet echt wit. Een Turk kan blond haar en blauwe ogen hebben, maar is daarom geen witte. Hij kan in bepaalde situaties voor wit doorgaan, maar als hij Turks spreekt en met zijn Turkse maten een discotheek binnen wil, is hij gekleurd. Hij is wel een blanke maar geen witte.”

“Wit vervangt het woord blank voor mij niet. Ik voeg het toe aan het vocabularium. Meerdere woorden zijn een verrijking. Ze nuanceren en zorgen ervoor dat we bepaalde politieke en sociale dynamieken kunnen benoemen.”

Het gaat dus verder dan een publiek debat over semantiek?

“We kleefden een nieuw etiket op de doos waarin we iedereen steken die we als blank beschouwden. Vroeger stond op dat etiket blank, nu staat er wit.”

“Hetzelfde gebeurde met het woord ‘allochtoon’, dat in de jaren zeventig uitgevonden werd om ‘migrant’ te vermijden. Op den duur voelde ook allochtoon stigmatiserend, dus nu zeggen we ‘etnisch-culturele minderheid’. Alleen noemen we de Duitsers in de Oostkantons geen etnisch-culturele minderheid. Want etnisch-culturele minderheid verwijst naar mensen van kleur. En zo voeren we inderdaad een semantische discussie waarmee we niet veel verder geraken.”

Hoe komen we wel verder?

“Vandaag kijken we te veel naar eigenschappen van groepen mensen die zogezegd verklaren waarom die groep in een bepaalde maatschappelijke positie zit. Maar dat zijn afleiders die ons niet doen nadenken. We moeten daarom kijken naar dynamieken en processen die ongelijkheid legitimeren.”

Kan je daar een voorbeeld van geven?

“We gaan kijken naar armoede bij mensen van kleur, in plaats van te kijken naar de structurele en historische context waarin die armoede ontstaat. We horen te vaak wat er allemaal scheelt met die groep mensen eerder dan met de context. Je hoort dan vaak dat het normaal is dat zwarten in armoede leven, want ze zijn lui, gewelddadig en misogyn. Vanwaar komen die vooroordelen?”

“Ik ben een kind van de jaren negentig, toen hiphop gecommercialiseerd werd. In het begin had je een hele waaier aan soorten hiphop: van Arrested Development over Fugees tot de Wu-Tang Clan. Tien jaar later was er van die diversiteit niets meer over. Je hoort enkel nog Gangstarap, muziek die alle vooroordelen over zwarte mensen bestendigt. De grote platenbazen lijken besloten te hebben dat enkel de 50 Cents en Snoop Doggy Doggs échte hiphop maken.”

Maar je gaat toch niet beweren dat die platenbazen racisten zijn?

“Uiteraard niet. Het gaat niet over die individuele mannen, wel om het systeem waarin ze functioneren. Hun enige doel is zo veel mogelijk winst maken.”

“Gangstarap beantwoordde aan het clichébeeld van rijke witte jongeren over zwarten. Er werden de meeste albums van verkocht. Alle andere soorten rapmuziek werden naar de marge verdrongen. Het toont mooi hoe racisme perfect functioneert in ons kapitalistisch systeem.”

“We moeten aan systeemkritiek doen. Het is onvoldoende voor één groep om een plaats aan de tafel te eisen naast die witte middenklassenmannen. Nee, die tafel moet weg.”

Makkelijker gezegd dan gedaan.

“Ik zie veel mogelijkheden in het kruispuntdenken. De idee erachter is dat we allemaal complexe mensen zijn. Naargelang de context waar we ons in begeven, bevinden we ons soms in een geprivilegieerde en soms in een onderdrukte positie.”

“Onze identiteit is meervoudig. We zijn de zoon van, maar ook werknemer of werkgever, zwart of wit, man of vrouw… Het is belangrijk om over die identiteit te praten, want de ervaringen van een witte heterovrouw zijn heel anders dan die van een zwarte homoman.”

Zorgt dat soort denken niet voor een versplintering van onze samenleving? Uiteraard is iedereen uniek, maar mogen mensen zich niet meer in een ander inleven?

“Onder invloed van sociale media is er een individualistische en moraliserende vorm van identiteitsdenken ontstaan. Maar dat is niet waarover ik het heb. Ik wil niet enkel vrienden die zo veel mogelijk op mij lijken. Het gaat niet over aanvinken van wat je identiteit is. Het gaat over zien dat er verschillende systemen van uitsluiting bestaan en kruispunten waarop die verschillende systemen elkaar versterken.”

“Ja, de klassenstrijd is belangrijk, maar vrouwen bekleden in het kapitalistisch systeem een net iets andere, meer benadeelde positie, dan mannen. Ja, er bestaat seksisme, maar zwarte vrouwen worden daarin nog meer geseksualiseerd dan witte vrouwen. Het is nooit of/of maar altijd en/en.

Praten over identiteit kan dus ook verenigen.

“Exact. Je moet aan tafel gaan met mensen die niet op jou lijken, net om te beseffen dat je een gezamenlijke strijd voert. Of het nu gaat over racisme, klassenverschillen, seksisme, homo- of transfobie: kruispuntdenken doet ons erkennen dat we hier samen moeten tegen strijden. Als we werkelijke vooruitgang willen boeken, kunnen we niet anders.”

Het sociaal werk wil vanuit een rechtenverhaal mensen emanciperen. Maar spreek je met sociaal werkers van kleur, dan hoor je veel frustratie over de omgang met diversiteit.

“Het sociaal werk staat niet los van de rest van de samenleving. Er spelen dezelfde mechanismen. Ik kan me voorstellen dat je je als sociaal werker van kleur vaker moet verantwoorden. Dat je je harder moet bewijzen dan je witte collega.”

“Je kunt nooit winnen, want als je het goed doet, ben je de uitzondering die de regel bevestigt. En als je een fout maakt is dat – ‘zie je wel’ – een bevestiging van het vooroordeel. Uiteraard is dat frustrerend. Daar komt nog bij dat het moeilijk werken is als je voor je eigen gemeenschap werkt. Het komt allemaal veel te dicht. Meer dan je witte collega zal je de problemen van mensen sneller herkennen, maar zijn ze ook mentaal zwaarder om te dragen.”

Dan volgt natuurlijk de vraag van één miljoen: hoe kunnen we sociaal werk inclusiever maken?

“In eerste instantie door te erkennen dat we er nog niet zijn. Kijk naar de structuren. Het sociaal werk wordt gekleurder, maar geldt dat ook voor de posities met macht? De directies en de raden van bestuur? Daar is nog wel wat werk. Het betekent dat je zal moeten inzetten op kwaliteit, meer dan op kwantiteit. En dat is een moeilijk verhaal.”

Wat bedoel je daarmee?

“Diversiteit wordt door hippe consultancybureaus vaak voorgesteld als een positief verhaal, goed voor de economie. Maar eigenlijk is inclusie iets moeilijk.”

“Als je echt aan de blinde vlekken van je organisatie en medewerkers wil werken, zal je moeilijke gesprekken moeten voeren en door ongemakkelijke situaties moeten waden. Dat is niet prettig en vermoeiend, wel leerrijk en bevrijdend. Alleen is het niet iets dat je er snel even bij neemt. Je moet het expliciet in de doelstellingen van je organisatie opnemen of er zal niets van komen.”

Diversiteit binnen je organisatie is nog maar één kant van het verhaal. Ook bij de doelgroep groeit de diversiteit.

“Daar is het sociaal werk een cruciale speler om het verschil te maken. Ik geloof heel erg in oplossingen op het lokale niveau. Waar mensen elkaar ontmoeten, in het dagelijkse reilen en zeilen, is veel meer mogelijk dan bijvoorbeeld in het parlement. Het is bijvoorbeeld niet omdat racisme bij wet verboden is, dat er ineens geen racisme meer is.”

“Op plaatsen waar verschillende mensen samenkomen, aan de schoolpoort of in buurthuizen, zie je dat iedereen op heel natuurlijke manier met elkaar omgaat. Je kent het cliché wel: ‘Mijn Turkse buurman is oké.’ Als mensen samenzitten als echte individuen kan je tot echt gesprek komen.”

Tegelijk geven sociaal werkers aan dat dit soort gesprekken in deze gepolariseerde tijden steeds moeilijker worden.

“Sociale media spelen een heel bepalende rol in die polarisering. Ze zijn een relatief nieuw gegeven, wat maakt dat we nog aan het experimenteren zijn. Alleen zijn we hier echt universeel aan het klungelen.”

“Net als bij mijn verhaal over hiphop, moeten we ook hier naar de achterliggende structuren kijken. Facebook en Twitter zijn geen openbare diensten, maar bedrijven die zoveel mogelijk geld willen verdienen. En hoe doe je dat? Door zoveel mogelijk extreme meningen te promoten. Het mag dan ook niet verbazen dat die extreme meningen steeds meer op de voorgrond treden, het dient hun winstmodel.”

Sociaal werkers experimenteren vandaag met safe spaces om polarisering tegen te gaan. Zie jij daar mogelijkheden?

“Een safe space wordt meestal begrepen als een plek waar mensen met eenzelfde identiteit samenkomen. Ze moeten er zich niet verantwoorden, noch iets uitleggen. Als ze daar zeggen dat ze vanmiddag met racisme geconfronteerd zijn, vraagt niemand: ‘Ja maar, was dat wel echt racisme?’ In een safe space wordt de ervaring van de spreker niet in twijfel getrokken.”

Creëer je zo geen overgevoelige individuen die geen tegenwind meer verdragen?

“Nee, zo’n veilige plek kan enorm goed doen. Iedereen heeft daar recht op. Mensen hebben dat nodig om tot rust te komen. Alleen kan in die betekenis niet heel de wereld een safe space zijn.”

“De Engelse socioloog Paul Gilroy zei ooit: ‘Een klaslokaal is een gevaarlijke plek, en dat hoort ook zo.’ Zelf is hij zwart en een vermaard strijder tegen racisme, maar een aantal van zijn studenten verweten hem beelden, verhalen en woorden te gebruiken die zij als kwetsend ervaarden.”

“Volgens Gilroy – en ik volg hem daar helemaal in – is een klas geen plaats waar je tot rust komt. Het is een plaats waar je komt om te leren. Dat betekent soms ook, een plek waar het vonken geeft. Een buurtwerking is ook zo’n plek. Het is aan de leerkracht of de sociaal werker om de gesprekken te begeleiden.”

En dan kan er alles gezegd worden?

“Ik vul de idee van safe space breder in: het is een plek waar het veilig is om te praten. Dat wil niet zeggen dat je er kwetsende grappen kan maken, maar het impliceert dat er fouten gemaakt mogen worden. Het is een plek waar je zaken kunt zeggen die niet kloppen, zonder veroordeeld te worden, maar als deel van het leerproces.”

“De voorwaarde is natuurlijk dat de ander jou erop mag wijzen dat wat jij zegt niet klopt en dat je uitspraken misschien wel kwetsend zijn. Dit moet kunnen zonder dat er conflict ontstaat. Ik geloof sterk dat buurtwerkingen en andere sociaalwerkprojecten zulke plaatsen kunnen zijn waar kruisbestuiving mogelijk is, waar mensen van elkaar kunnen leren.”

SCHUERMANS, G. Sibo Kanobana: ‘Inclusie is iets moeilijk. Je neemt het er niet snel even bij’. sociaal.net, 29 augustus 2022. Geraadpleegd op 29 augustus 2022 via sociaal.net.
E-mail Print kopieer
Copyright © 2022 Pelckmans maakt een deel uit van Pelckmans uitgevers
mens en samenleving logo