“We moeten werken drastisch aantrekkelijker maken”

De werkzaamheidsgraad in ons land is uitzonderlijk laag. Niet de werkloosheid is ons grote probleem, stelt professor arbeidseconomie Stijn Baert (UGent) op basis van de recentste Eurostat-cijfers. Wel de zeer hoge graad van inactiviteit.

Van elke honderd 25- tot 64-jarigen landgenoten zijn er 74 aan het werk, zo blijkt uit nieuwe Eurostat-cijfers voor 2021 die arbeidseconoom Stijn Baert (UGent) met collega’s van UGent @ Work heeft doorgelicht. 4,10 % is werkzoekend. Maar er is nog een derde grote groep: de 21,80 % inactieven. “Het verschil tussen werklozen en inactieven? De eerste groep niet-werkenden zoekt een job en krijgt daarvoor een werkloosheidsuitkering. Inactieven zijn niet op zoek naar een baan.”

Vooral die laatste groep vormt een probleem zegt u, willen we de sociale zekerheid met een vergrijzende bevolking enigszins betaalbaar kunnen houden.

“Het is duidelijk dat de lage werkzaamheidsgraad van België veeleer een gevolg is van hoge inactiviteit dan van hoge werkloosheid. Qua werkloosheid zitten we bij de betere helft van de klas. De ruim 1 op 5 inactieven vormen een veel grotere groep. Het is duidelijk dat hun activering een noodzakelijke voorwaarde is om de doelstellingen inzake werkzaamheid te realiseren. Zelfs wanneer alle werkzoekenden aan een baan geholpen zouden worden — wat onmogelijk is — dan nog wordt een werkzaamheidsgraad van 80% niet bereikt.”

Hoe slecht doen we het eigenlijk?

“21,80 % inactieven is exact hetzelfde cijfer als in 2020. Dat aantal blijft daarmee niet alleen hoog, het ligt ook meer dan 2 procentpunten hoger dan het EU-gemiddelde van 19,70 %. In absolute cijfers gaat het om een groep van 1.315.000 Belgen tussen de 25 en 64 jaar die niet werken, noch werk zoeken.”

Slechts 4 van de 27 EU-landen doen slechter: Italië (28,30 %), Roemenië (26,90 %), Kroatië (24,20 %) en Griekenland (24,10 %). “Dan presteren onze drie belangrijkste buurlanden een stuk beter dan wij. Nederland kent slechts 15,20 % inactieven, Duitsland 16,40 % en zelfs Frankrijk — lang geen economisch gidsland — doet met 19,20 % beter.”

Er zijn diverse redenen voor inactiviteit. Maar er springt er wel één bovenuit.

“De Eurostat-cijfers voor 2021 geven nog geen duidelijk zicht op de redenen voor inactiviteit. In 2020 was liefst 6,80 % inactief door langdurige ziekte of een functiebeperking. Dat is meer dan alle werkzoekenden samen.”

Andere belangrijke redenen zijn: persoonlijke of familie gerelateerde factoren (2,70 %), de zorg voor kinderen of hulpbehoevende volwassenen (1,90 %), studie of opleiding (1,40 %), vervroegde pensionering (1,20 %) en de overtuiging dat er toch geen geschikte banen beschikbaar zijn (0,90 %).

“Wie ziek is, is ziek. En wie ervoor kiest een zeer waardevolle taak als huisvrouw of -man of mantelzorger op te nemen, moet dat natuurlijk kunnen. Maar het feit dat wij deze taken veel minder vaak met deeltijds werk combineren, verklaart wel het ontstane miljardenverschil tussen de Belgische en Nederlandse begrotingen.”

Wie zijn vooral die inactieven?

“Vrouwen (1 op 4) zijn meer inactief dan mannen (1 op 6). Maar die laatsten doen het hier wel een pak slechter dan het EU-gemiddelde. Enkel in Italië en Kroatië is de mannelijke inactiviteit nóg hoger. Ingezoomd op de cijfers valt verder niet naast de grote groep inactieve inwoners van buiten de EU te kijken. Ruim 4 op de 10 (44,20 %) van hen zijn noch aan het werk, noch op zoek. Geen enkel EU-land doet het slechter. Het Europees gemiddelde bedraagt ‘slechts’ 29 %.

Vooral vrouwen met een migratieachtergrond zijn niet aan het werk, of op zoek: bijna 6 op 10 (59,30 %) van hen is inactief. In geen enkel andere lidstaat komt men zelfs aan 5 op 10. In eerder onderzoek stelden we vast dat vele migrantenvrouwen zich om culturele factoren meer op het gezin terugplooien. Daarnaast zijn we in ons land ook soepeler inzake inburgering en activering dan in sommige andere landen.”

Er zijn ook duidelijke regionale verschillen.

“Vlaanderen laat met 2,50 % werklozen een zéér lage werkloosheid optekenen — enkel Tsjechië (2,20 %) en Polen (2,30 %) doen beter. Maar qua inactiviteit (19,20 %) zijn we slechts een middelmatige leerling. Duitsland en Nederland doen veel beter.

Het zwaartepunt van het Belgisch probleem ligt echter in Brussel en Wallonië, waar een hoge werkloosheid met zeer hoge inactiviteit wordt gecombineerd. De werkloosheid in Brussel (8,70 %) is nog een stuk hoger dan in Wallonië (5,60 %). Wat inactiviteit betreft, doet Wallonië (25,60 %) het dan weer slechter dan Brussel (24,50 %). Enkel Roemenië en Italië doen het (op landniveau, red.) nóg slechter.”

Tegelijk zijn er meer vacatures dan ooit die niet raken ingevuld. Hoe krijgen we die vele inactieven aan het werk?

“Beide uitdagingen zijn inderdaad verwant. Het is grotendeels omdat de vijver waaruit werkgevers moeten vissen door die hoge inactiviteit zo klein is, dat vacatures moeilijk ingevuld geraken. Een overheid die meer inactieven richting de arbeidsmarkt verleidt zou een godsgeschenk zijn voor werkgevers. Zeker als je weet dat een groot aantal vacatures geen ervaring of diploma vereist.

Om dat te doen, moeten we werken drastisch aantrekkelijker maken. Door belastingen te verschuiven van arbeid naar consumptie, bijvoorbeeld. Dat wil dus zeggen: hogere btw-tarieven voor sommige producten — precies het omgekeerde van wat men nu doet. En daarnaast: eindelijk werk maken van een pensioenhervorming die langer werken stimuleert.”

PONSAERT, S. “We moeten werken drastisch aantrekkelijker maken”. Het Laatste Nieuws, 3 mei 2022, 28.
E-mail Print kopieer
Copyright © 2022 Pelckmans maakt een deel uit van Pelckmans uitgevers
mens en samenleving logo