Loonkloof tussen veelverdieners en laagbetaalden breder

Van goedbetaalde beroepsgroepen, zoals managers, ging het brutoloon de afgelopen jaren meer omhoog dan van laagbetaalde beroepen, zoals truckers of huishoudhulpen.

‘Wie heeft, zal nog meer krijgen en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.’ De Bijbeltekst waaraan het zogenaamde mattheuseffect zijn naam heeft ontleend, lijkt zich ook op de ­arbeidsmarkt voor te doen. Tussen 2015 en 2019 zijn de reële lonen (abstractie makend van de inflatie) van goedverdienende beroeps­categorieën sterker gestegen dan die van laagbetaalde beroepsgroepen. Dat stelde Matthias Somers, coördinator van de denktank ­Minerva, vast na analyse van gegevens van de statistiekdienst Statbel.

Uit die data blijkt dat tussen 2015 en 2019 de reële brutolonen in de privésector met 0,79 % zijn gestegen. Maar achter dat ­gemiddelde gaan grote verschillen schuil. Voor managers en directeurs ging het om een stijging van 4 ,00 %. De lonen van softwareontwikkelaars en financieel spe­cialisten stegen met 3,00 %. Aan de andere kant gingen de reële ­lonen in de categorie administratief personeel er 2,00 % op achteruit. Ook huishoudhulpen, schoonmakers, vrachtwagenchauffeurs en bouwarbeiders ­zaten in het verliezende kamp. Heel wat van die beroepen staan op de lijst van knelpuntberoepen. De schaarste zet werkgevers dus niet aan om hen meer te betalen.

Pervers effect

‘Globaal gezien stijgen de lonen dus het sterkst aan de bovenkant van de loonsverdeling en zijn ze het sterkst gedaald voor wie een ­beroep uitoefende dat 10,00 tot 25 ,00 %minder verloond werd in 2015 dan het globale gemiddelde’, concludeert Somers. ‘We zien dus dat de loonkloof zich de laatste vijf jaar nog verder verdiept heeft.’ Hij wijst erop dat de cijfers geen ­betrekking hebben op de loon­evolutie van individuele personen tussen 2015 en 2019, wel op de brutolonen van beroepscategorieën.

Somers vermoedt dat de ontwikkelingen veroorzaakt kunnen worden door de marktmacht. ­Bedrijven met veel laagbetaalde beroepen, zoals callcenters, transporteurs of schoonmaakbedrijven, hebben lage marges. Ze moeten op prijs concurreren om opdrachten binnen te halen. Daardoor blijft er weinig ruimte over voor hogere lonen. De bedrijven die van hun diensten gebruikmaken, kunnen profiteren van die lage marges en hebben dus wel ruimte voor hogere lonen.

Ook de productiviteit kan een rol spelen. In bijvoorbeeld de schoonmaaksector is het niet evident om de productiviteit te verhogen. Somers: ‘Doordat bedrijven ondersteunende diensten met een wat lagere productiviteit geoutsourcet hebben, zijn de verschillen in productiviteit toegenomen. De productiviteitswinsten worden daardoor minder breed gedeeld over alle beroeps­categorieën.’

De cijfers slaan op brutolonen. Netto kan het plaatje er anders uitzien. Het belastingstelsel werkt immers herverdelend. Maar door de divergentie van de lonen moet het stelsel ‘steeds harder werken’, ­zoals Somers het uitdrukt. ‘De ­bedrijven die hogere lonen betalen, wentelen het effect zo af op de overheid. Het overheidsbeslag is in België natuurlijk al aanzienlijk.’

De vaststellingen van Minerva zijn interessant in het kader van het debat over de wet op de loonnorm. Die zet een plafond op de ­reële loonstijging om te voor­komen dat de lonen sterker stijgen dan in de buurlanden. Die aanpak betekent ook dat bovengemiddelde loonstijgingen gecompenseerd moeten worden door loonevoluties die onder het gemiddelde liggen. ‘Hoe sneller de brutolonen stijgen bovenaan de loonladder, hoe meer de loonnormwet de ­marge voor loonsverhogingen voor de rest van de loonladder ­beperkt’, schrijft Somers. De ­bovengemiddeld stijgende hoge lonen verpesten het dus voor de rest. ‘Een nogal pervers effect van de loonnormwet’, besluit hij.

MOOIJMAN, R. Loonkloof tussen veelverdieners en laagbetaalden breder. De Standaard, 15 december 2021, 22.

 

E-mail Print kopieer
Copyright © 2022 Pelckmans maakt een deel uit van Pelckmans uitgevers
mens en samenleving logo